Herziening WW-premie
De premie AWF (premie WW) kent een lage AWF-premie (2,64% in 2024) en een hoge AWF-premie (7,64% in 2024). Welke premie je als werkgever voor de werknemer moet betalen, is afhankelijk van het soort arbeidscontract dat is afgesloten met de werknemer.
Wanneer betaal je de lage en wanneer de hoge AWF-premie?
Je betaalt voor een werknemer de lage AWF-premie, wanneer de arbeidsovereenkomst aan de volgende voorwaarden voldoet:
- Het gaat om een arbeidscontract voor onbepaalde tijd.
- Het contract is schriftelijk vastgelegd.
- Het arbeidscontract is geen oproepcontract.
Voldoet het contract niet aan alle voorwaarden? Dan betaal je de hoge AWF-premie, tenzij er sprake is van een uitzondering.
In 3 uitzonderingssituaties betaal je altijd de lage AWF-premie
Het gaat om deze 3 situaties:
- De werknemer is jonger dan 21 jaar en er is maximaal 48 uur per aangiftetijdvak van 4 weken of maximaal 52 uur per aangiftetijdvak van een kalendermaand verloond.
- Je sluit een praktijkovereenkomst en een arbeidscontract met een leerling die de beroepsbegeleidende leerweg (BBL) volgt, en je neemt de praktijkovereenkomst op in de administratie. Op de praktijkovereenkomst moet de datum staan waarop deze is overeengekomen.
- Je betaalt een WW-, ZW-, WIA-, WAO- of WAZO-uitkering namens UWV door aan de werknemer (werkgeversbetaling). Of je betaalt deze uitkering zelf als eigenrisicodrager.
Soms moet je de lage premie met terugwerkende kracht herzien
Dat betekent dat je alsnog de hoge premie betaalt. Je moet de lage premie herzien als de situatie van de werknemer als volgt verandert:
- Een nieuwe werknemer die voldoet aan de voorwaarden voor de lage AWF-premie en treedt binnen 2 maanden na indiensttreding uit dienst.
- Een werknemer met een arbeidscontract voor gemiddeld minder dan 35 uur per week, krijgt in een kalenderjaar meer dan 30% uren meer verloond dan het aantal uren dat in het arbeidscontract staat.
Verloonde uren
Verloonde uren zijn overeengekomen uren (contracturen), vermeerderd met uitbetaalde verlof-meer- en overwerkuren (mits niet gecompenseerd in tijd) en verminderd met niet gewerkte uren waar geen beloning tegenover staat (ouderschapsverlof). De Belastingdienst heeft een document opgesteld waarmee je voor verschillende situaties kunt beoordelen of bepaalde uren wel of niet meetellen in de rubriek “verloonde uren” van de loonaangifte. Dit document kun je hier downloaden.
Overeengekomen arbeidsomvang
Om de overeengekomen vaste arbeidsomvang (de contractueel overeengekomen arbeidsduur) van de te verrichten arbeid te bepalen worden achtereenvolgens de volgende stappen doorlopen:
a. Berekenen van het aantal contracturen per week zoals opgegeven in de loonaangifte:
- Aangiftetijdvak per maand: 13/3 * uren per week
- Aangiftetijdvak per vier weken: 4 * uren per week
- Aangiftetijdvak per half jaar: 26 * uren per week
- Aangiftetijdvak per jaar: 52 * uren per week
b. Bestaat de dienstbetrekking slechts een deel van het aangiftetijdvak, dan worden de contracturen vermenigvuldigd met het aantal kalenderdagen dat de dienstbetrekking in dat aangiftetijdvak heeft bestaan en gedeeld door 7 dagen.
c. De overeengekomen arbeidsomvang wordt per aangiftetijdvak rekenkundig afgerond op twee decimalen.
d. Om de overeengekomen vaste arbeidsomvang per kalenderjaar te bepalen, wordt het totaal van de omvang per aangiftetijdvak in dat kalenderjaar bij elkaar opgeteld.
Om vast te stellen of meer dan 30% extra uren zijn verloond, moet nu de verhouding tussen het aantal verloonde uren en de overeengekomen arbeidsomvang per kalenderjaar worden berekend.
Hiertoe moet het aantal verloonde uren gedeeld worden door de overeengekomen arbeidsomvang per kalenderjaar, minus één. Daaruit volgt een percentage. Dit percentage wordt naar beneden afgerond op een heel percentage. Formule verhouding voor het vaststellen van de 30%-grens:
(Aantal verloonde uren / overeengekomen arbeidsomvang per kalenderjaar) – 1 * 100%
Herziening 30% toets geldt niet bij gemiddeld 35 uur per week
De 30% herzieningssituatie geldt niet indien de overeengekomen arbeidsomvang van de vaste arbeidsovereenkomst gemiddeld 35 uur per week of meer bedraagt in een kalenderjaar. Om te bepalen of daarvan sprake is, moet de totale overeengekomen arbeidsomvang gedeeld worden door de duur van de dienstbetrekking in het kalenderjaar uitgedrukt in weken.
Formule bepalen gemiddeld aantal uren per week.
- Bereken de overeengekomen arbeidsomvang per kalenderjaar
(zie punt d bij overeengekomen arbeidsomvang) - Bereken het aantal weken dat de medewerker in een kalenderjaar in dienst is geweest:
Aantal kalenderdagen dienstbetrekking(en) / 7 =
Dit getal rekenkundig afronden op twee decimalen - Bereken nu de urenomvang per week
Overeengekomen arbeidsomvang per kalenderjaar (1.) / duur dienstbetrekking in weken (2.), dit getal rekenkundig afronden op hele uren
NB: Dienstbetrekkingen waarop het hoge premiepercentage van toepassing is worden bij deze berekening buiten beschouwing gelaten.
Moet je de lage premie herzien, dan doe je dat door alle voorgaande aangiftetijdvakken te corrigeren.
Voor meer informatie en rekenvoorbeelden verwijzen wij je naar het Kennisdocument premiedifferentiatie WW.
Deel dit bericht:
Ontdek meer over AAG
Bekijk onze expertises en klantcases of lees meer over ons!