Zorginkoopbeleid 2027-2029 zet koers voor vastgoed en duurzaamheid

De uitdagingen die Zorgverzekeraars Nederland (ZN) schetst, zijn binnen de zorgsector niet nieuw. Wel neemt de urgentie toe. Een krimpende arbeidsmarkt, complexere zorgvragen, financiële druk en een krappe woningmarkt zetten het zorgstelsel steeds verder onder druk.

In de onlangs gepubliceerde visie en beleidskaders voor de periode 2027-2029 bevestigt ZN de ingezette koers: zelf als het kan, thuis als het kan, digitaal als het kan. Voor mensen die intensieve zorg nodig hebben, blijft passende ondersteuning beschikbaar. Deze richting geldt voor alle Wlz-sectoren en regio’s.

Deze ontwikkeling heeft niet alleen gevolgen voor de zorgverlening, maar ook voor de manier waarop we zorgvastgoed en wonen organiseren. Cliënten ontvangen vaker zorg in hun eigen woning en voeren meer regie over hun ondersteuning. Daardoor verschuift de focus van klassieke intramurale voorzieningen naar zorggeschikte, zelfstandige woonvormen.

Het gaat daarbij niet primair om het afstoten van vastgoed, maar om een andere inzet ervan: kleinschaliger, meer geïntegreerd in de wijk en beter aangesloten op de behoeften van cliënten.

Op basis van deze visie hebben de zorgkantoren hun inkoopbeleid voor de periode 2027-2029 vastgesteld.

Belangrijke thema’s in de nieuwe beleidsperiode

Zorgkantoren leggen de komende jaren nadrukkelijker de verbinding tussen zorgvisie, vastgoedstrategie en duurzaamheid.

Zo verwacht ZN dat NHC- en NIC-middelen worden ingezet voor duurzame, functionele en toegankelijke huisvesting. De inzet van deze middelen voor andere doeleinden vraagt om een bewuste afweging en mag niet ten koste gaan van de toekomstbestendigheid van het vastgoed.

Daarnaast wordt het steeds belangrijker dat zorgorganisaties beschikken over een actueel strategisch vastgoedplan. Dit plan moet aansluiten bij de zorgvisie en inzicht bieden in de langetermijnontwikkeling van de vastgoedportefeuille.

Ook duurzaamheid krijgt een prominentere plek. Zorgkantoren willen actief bijdragen aan het verlagen van de klimaat- en milieu-impact van de zorg. Daarom verwachten zij onder meer dat zorgorganisaties:

  • bijdragen aan de doelstellingen van de Green Deal Duurzame Zorg (GDDZ);
  • duurzaamheid verankeren in hun strategie;
  • rapporteren over duurzaamheid in het jaarverslag;
  • aantoonbare voortgang boeken op hun mobiliteitsbeleid.

Op langere termijn willen zorgkantoren duurzaamheidscriteria nadrukkelijker meenemen in de zorginkoop. Organisaties met meer dan 250 fte kunnen richting 2030 bovendien gebruikmaken van ondersteuning voor certificering via de Milieuthermometer Zorg.

Verschillen tussen zorgkantoren

Hoewel de landelijke richting gelijk is, verschilt de invulling per zorgkantoor.

Menzis legt bijvoorbeeld veel nadruk op verantwoord vastgoedbeleid. Voor diverse sectoren, waaronder de ouderenzorg, gehandicaptenzorg en langdurige ggz, vraagt Menzis aanbieders om een strategisch vastgoedplan aan te leveren. Hierin moet aandacht worden besteed aan toekomstbestendigheid, duurzaamheid en zorggeschiktheid van het vastgoed.

Andere zorgkantoren kiezen een andere benadering. Zo legt VGZ meer nadruk op verantwoorde nieuwbouw die aansluit bij regionale ontwikkelingen en regioplannen. Daarbij gaat de voorkeur uit naar woonzorgconcepten met een semi-geclusterd karakter: zelfstandig wonen gecombineerd met passende ondersteuning en ontmoetingsvoorzieningen.

Ook benadrukken zorgkantoren zoals Zilveren Kruis het belang van samenwerking met regionale partners om toekomstige capaciteitsproblemen te voorkomen.

Verfijning van het tariefmodel

Naast de inhoudelijke beleidswijzigingen verandert ook de berekening van de vertrektarieven.

De behandeling van de NHC- en NIC-baten in het tariefmodel wordt aangepast. Waar deze eerder onderdeel waren van de berekening, worden de baten en lasten voortaan eerst hiervoor gecorrigeerd. Hierdoor ontstaat volgens de zorgkantoren een zuiverder vergelijkingsbasis.

De verwachting is dat dit leidt tot licht lagere vertrektarieven. De definitieve percentages worden later dit jaar gepubliceerd. De vergoeding van NHC- en NIC-baten blijft daarbij gebaseerd op 100% van de door de NZa vastgestelde tarieven.

In een eerder artikel gaan we verder in op de nieuwe methodiek voor het berekenen van de percentages, net als de nieuwe methode van clustering.

Is een integraal tarief nog wel wenselijk?

Onder deze ontwikkelingen schuilt een impliciete beleidslijn die verder gaat dan alleen de tariefberekening. Waar de normatieve huisvestingscomponent ooit werd ingevoerd om kapitaallasten en zorg in één integraal tarief samen te brengen, waarbij de afweging én het risico bij de aanbieder lagen, lijken zorgkantoren nu de tegenovergestelde richting te kiezen. Door de NHC/NIC apart en volledig te vergoeden, deze te oormerken voor vastgoed en uit het zorgtarief te halen, wordt de vastgoedcomponent feitelijk weer losgekoppeld van de zorg. Het integrale tarief, waarin een aanbieder een positief vastgoedresultaat vrij kon inzetten om de zorgexploitatie te versterken, lijkt daarmee toch niet langer wenselijk te worden geacht.

Voor de individuele zorgaanbieder heeft dat gevolgen. De communicerende vaten tussen zorg en vastgoed worden afgesloten, terwijl het vastgoedrisico bij de aanbieder blijft liggen. De ruimte om tegenvallers in de zorg op te vangen met een buffer uit het vastgoed neemt daardoor af. Dit vraagt om scherper inzicht in de afzonderlijke zorg- en vastgoedexploitatie, iets wat zorgkantoren inmiddels ook expliciet verlangen.

De scheiding roept tegelijk een fundamentelere vraag op: waar houdt zorg op en begint vastgoed? Die grens is minder scherp dan de systematiek veronderstelt. Onderhoud en energie zijn weliswaar vastgoedgebonden, maar maken onderdeel uit van de zorgexploitatie en vallen daarmee binnen het geschoonde zorgdeel, terwijl instandhouding via de NHC wordt bekostigd. Juist bij verduurzaming lopen deze werelden door elkaar heen: een investering in het gebouw, bekostigd uit de NHC, verlaagt de energielasten die onderdeel zijn van de zorgexploitatie. Wie draagt die investering en waar komt het voordeel uiteindelijk terecht? Zonder heldere afbakening blijft onduidelijk wat als zorg en wat als vastgoed moet worden aangemerkt, precies op het snijvlak waar de verduurzamingsopgave het grootst is.

Wat betekent dit voor zorgaanbieders?

Voor zorgorganisaties zijn vastgoed en duurzaamheid steeds minder een ondersteunend thema en steeds meer een strategisch onderwerp.

Zorgkantoren vragen niet langer alleen óf er plannen zijn, maar beoordelen ook de kwaliteit, haalbaarheid en uitvoerbaarheid daarvan. Een actueel strategisch vastgoedplan en een duidelijke duurzaamheidsstrategie worden daarmee steeds belangrijker.

Veel organisaties zijn hier al actief mee bezig en vertalen de nieuwe beleidskaders naar concrete keuzes voor hun vastgoedportefeuille en verduurzamingsopgave.

De uitdaging voor de komende jaren ligt niet alleen in het voldoen aan nieuwe eisen, maar vooral in het maken van investeringen die bijdragen aan toekomstbestendige zorg én toekomstbestendig vastgoed.

Ondersteuning vanuit AAG

Benieuwd wat deze ontwikkelingen betekenen voor jouw vastgoedstrategie of duurzaamheidsambities? Wij denken graag met je mee over een toekomstbestendige vastgoedportefeuille en de juiste investeringen voor de komende jaren.

Meer weten? Neem contact op met Jules

Meer weten over Jules trending_flat

Jules Orval

business consultant

Meer nieuws & inspiratie