Leegstand is geen detail
Onlangs verscheen het RIVM-rapport ‘Verandering in de vraag en het gebruik van ouderenzorg in Nederland’. Wellicht de belangrijkste reden voor dit, in opdracht van het ministerie van VWS uitgevoerde onderzoek, waren signalen van toenemende leegstand in verschillende verpleeghuizen. Daaromtrent concludeert het RIVM dat de vraag tussen 2018 en 2024 overall niet is gedaald, hooguit veranderd. Zo is er minder vraag naar wijkverpleging en heeft 1 op de 5 verpleeghuizen te maken met langdurige leegstand. Dat is 20%! Als verklaring noemt het RIVM vooral het feit dat het aantal opnames van mensen met een VV4 fors is gedaald. Desalniettemin is het totaal aantal mensen dat gebruik maakt van verpleeghuiszorg in de onderzochte periode toegenomen met 15.000, naar 127.000: een stijging van meer dan 10%! Dat lijkt de hypothese te rechtvaardigen dat de totale vraag naar verpleeghuiszorg in de afgelopen jaar behoorlijk is gestegen. Het is daarom goed dat het RIVM aanbeveelt hier verder onderzoek naar te doen. Een andere conclusie zou moeten zijn dat verplaatsing van verpleeghuiszorg aan de orde is, waar we geen zicht op hebben.
De kernvraag is daarom niet alleen óf de vraag naar ouderenzorg afneemt, maar ook hóe die vraag statistisch en beleidsmatig wordt geteld. Het RIVM laat overtuigend zien dat landelijk geen sprake is van algemene vraaguitval in de ouderenzorg tussen 2018 en 2024, maar dat sluit niet uit dat binnen delen van de sector wél sprake is van overaanbod, capaciteitsverplaatsing of een onvoldoende passende combinatie van aanbod en vraag. Juist doordat bij circa één op de vijf onderzochte verpleeghuizen de bezetting daalt, ligt de beleidsvraag niet primair bij het in stand houden van bestaande capaciteit, maar bij de vraag welk aanbod in welke regio nog passend is.
Meer zorg thuis, of vooral anders georganiseerd?
Een andere belangrijke conclusie van het RIVM is dat de vraag naar WLZ-zorg thuis fors toeneemt. De belangrijkste verklaring hiervoor is de veranderende voorkeur van ouderen: ze willen zo lang mogelijk thuis blijven wonen en dat is ook een kernpunt van het beleid. Daarmee kiest het rapport te snel voor de interpretatie dat de groei van Wlz-zorg thuis vooral een bevestiging is van voorkeuren van ouderen en van bestaand beleid, terwijl ook een andere lezing mogelijk is: dat een deel van de verpleegzorg zich eenvoudigweg verplaatst naar nieuwe, geclusterde woonzorgvormen.
Een cruciale methodische vraag blijft daarbij onderbelicht: wat verstaan we precies onder ‘thuis’? In het RIVM-rapport vallen VPT, MPT en PGB onder Wlz-zorg thuis, ook wanneer deze zorg wordt geleverd in geclusterde woonvormen of woonzorgcomplexen. De groei van ‘zorg thuis’ kan daardoor deels ook worden gelezen als een verschuiving van intramurale of semimurale capaciteit naar nieuwe geclusterde VPT-wooncomplexen en niet uitsluitend als bewijs dat ouderen langer zelfstandig in hun eigen woning blijven wonen.
Noem het geen thuis als het feitelijk woonzorg is
De afgelopen jaren zijn op tal van plekken woonzorgcomplexen ontstaan waar alleen mensen mogen komen wonen met een VPT, de zogenaamde geclusterde VPT-woonvormen. Dit zijn veelal complexen die gebouwd worden op grond met een maatschappelijke bestemming (geen woonbestemming), waar je dus niet kunt wonen zonder zorgvraag. De medewerkers die daar werken komen veel vaker uit de verpleeghuizen dan uit de thuiszorg. Aldus zou je kunnen stellen dat dit type woonzorgcomplexen tot de capaciteit van verpleeghuizen gerekend moet worden. Het enige echte verschil is het scheiden van wonen en zorg; bewoners betalen zelf voor de huisvesting. Met thuiszorg heeft het in ieder geval minder te maken.
De cijfers roepen een ongemakkelijke vraag op
AAG en De Zorggroep (in Noord- en Midden-Limburg) hebben in 2022 ook onderzoek gedaan naar de ontwikkeling van de zorgvraag en het zorgaanbod. Hieruit bleek dat in dat jaar meer dan 90% van de mensen met een VPT deze uitnutten in zo’n geclusterde woonvorm. In deze regio gaat het dan om ongeveer 700 woonplekken, wat ongeveer 15% van de totale verpleeghuiscapaciteit behelst. Hoewel er regionale verschillen zullen zijn, kan de hypothese worden gesteld dat slechts een beperkt deel van de WLZ-zorg thuis wordt geleverd op plekken waar niet alle bewoners een VPT hebben. Het is dus serieus de vraag welke conclusies te trekken zijn over het langer-thuis-wonenbeleid op basis van dit RIVM-onderzoek.
De druk verschuift en verdwijnt niet
Uitgaande van de beweging naar langer thuis concludeert het RIVM dat deze ook negatieve effecten kunnen hebben, met name voor mantelzorgers. Het idee is namelijk dat langer thuis betekent dat de druk op mantelzorgers toeneemt. Vandaar de oproep: bewaak de duurzame inzetbaarheid van personeel in de ouderenzorg. Hoewel niemand het hier mee oneens kan zijn, wordt bij de uitleg van deze oproep uitsluitend ingegaan op de druk op de mantelzorg, terwijl elders toch ook wordt opgemerkt dat de zorgzwaarte in de verpleeghuizen toeneemt, wat niet verlichtend is voor de werkdruk. Wij onderschrijven het belang van aandacht voor de belastbaarheid van mantelzorgers. Tegelijkertijd wordt een substantieel deel van de Wlz-zorg thuis, met name in geclusterde woonvormen, volledig door professionals geleverd. Dat roept de vraag op waar de grootste opgaven voor duurzame inzetbaarheid liggen en hoe beleid beide groepen kan ondersteunen.
De echte blinde vlek: wonen tussen thuis en verpleeghuis
Naast de conclusie dat door de enorme toename van de geclusterde VPT-woonvormen in Noord- en Midden Limburg er de komende decennia geen tekort aan verpleeghuisplekken zijn, was een andere wellicht nog belangrijkere conclusie, dat er een enorme behoefte is aan alternatieve woonvormen tussen thuis en verpleeghuis in. Woonvormen waar mensen naar toe kunnen die niet meer volledig zelfstandig in hun eigen huis kunnen wonen, maar niet naar een verpleeghuisomgeving hoeven. Die alternatieve vormen zouden zodanig moeten worden georganiseerd dat daar niet alle ondersteuning en zorg wordt geleverd door professionals. Dat is immers zeker op termijn onhoudbaar, zowel financieel als qua arbeidsmarktproblematiek. Het is daarom opvallend dat het RIVM in het kwalitatieve deel van het onderzoek wel heeft opgehaald dat mensen liever niet naar een verpleeghuis gaan, maar minder scherp uitwerkt welke alternatieven zij dan wél aantrekkelijk vinden. Juist de vragen “Welke alternatieven zijn voorhanden, waar mensen enthousiast over zijn?” verdienen de komende jaren meer bestuurlijke en beleidsmatige aandacht.
Het grootste gevaar is beleidsstilstand
Het grootste risico van dit RIVM-rapport is dat alle gevestigde-ordepartijen er hun gelijk in zien en dat daardoor de zo noodzakelijke transformatie van de ouderenzorg eerder weer vertraging gaat oplopen, dan een impuls krijgt. VWS lijkt op dezelfde voet door te kunnen: ‘het langer-thuis-wonenbeleid is succesvol’. Actiz heeft al laten weten dat het aantal verpleeghuisplekken vooral niet moet krimpen. Weinig wethouders Sociaal domein zullen enthousiast worden om de beweging naar langer thuis wonen te omarmen, gezien de druk op de mantelzorgers (die als eerste een beroep op de WMO zullen doen). Aanbieders van geclusterde VPT-woonzorgcomplexen kunnen blijven doorbouwen onder de noemer ‘zorg-thuis’.
Wat ons betreft blijft de belangrijkste vraag na dit onderzoek of beleid en bekostiging nog voldoende gericht zijn op de woonzorgrealiteit die zich ontwikkelt.
Auteurs
Dit artikel is geschreven door Johan van Houwelingen, bestuurder van AAG (links), en Marc van Ooijen, voorzitter van de Raad van Bestuur van De Zorggroep (rechts).
Meer weten? Neem contact op met Johan.
Meer weten over Johan
Johan van Houwelingen
bestuurder